spelbetrokkenheidsschaal Laevers

Hoofdcategorie Niveau Voorbeelden
Laag a) Het kind vertoont nagenoeg geen activiteit:

het is niet geconcentreerd, het staart, droomt weg

het heeft een afwezige, passieve houding

het vertoont geen gerichte activiteit, het stelt doelloze handelingen, brengt niets teweeg

het vertoont geen tekenen van exploratiedrang of interesse

het neemt niets in zich op, er is geen mentale activiteit

b) Het kind vertoont enige activiteit maar die wordt geregeld onderbroken:

zijn concentratie is beperkt: het kijkt weg, prutst, zit te dagdromen

– het is makkelijk afgeleid

zijn handelingen leiden maar tot een beperkt resultaat

c)

Het kind is de hele tijd actief maar komt niet tot geconcentreerd spel:

– het is routinematig, vluchtig bezig; wisselende activiteiten

zijn motivatie is beperkt, het zet zich niet echt in, voelt zich niet uitgedaagd

– het doet geen diepgaande ervaringen op

het wordt niet opgeslorpt door wat het doet

Matig a) Als laag c); maar met een kort moment van geconcentreerde aandacht dat niet langer duurt dan 1,5 minuut.
b)

Goed betrokken: actief en betrokken met de dominante activiteit bezig; gedurende een periode van 1,5 tot 2 minuten.

– gaat globaal op in zijn activiteit

– is echt geconcentreerd

– voelt zich uitgedaagd; er is een zekere gedrevenheid

– is hooguit een halve minuut uit zijn activiteit

Hoog a) Als bij matig b); maar is langere tijd geconcentreerd. Het kind gaat al voor de meting in het spel op of blijft enige tijd na de meting betrokken